|

Sinds de restauratie en
ingebruikname in 2006 van het monumentale Cavaillé-Collorgel in de
grote zaal van concertgebouw Philharmonie Haarlem, beschikt
Haarlem over twee unieke concertorgels in topconditie. Er is
overigens nauwelijks een groter contrast mogelijk tussen beide
instrumenten. Het barokorgel in de Grote Kerk heeft een geheel
ander karakter dan het hoogromantische orgel in de concertzaal –
in klank, opbouw en manier van bespelen. Er is wel één belangrijke
overeenkomst. Beide orgeltypes zijn in de eerste plaats ontwikkeld
om op te improviseren. In de achttiende-eeuwse calvinistische
kerkdienst, waarvoor het Müllerorgel werd gebouwd, werd op het
orgel niet of nauwelijks begeleid of literatuur gespeeld, maar
vooral improviserenderwijs gemusiceerd. Dat gold ook voor de
rooms-katholieke mis waarvoor Cavaillé-Coll in de negentiende eeuw
zijn beroemde instrumenten bouwde. De taak van de organist bestond
vooral uit het, met improvisaties, muzikaal omlijsten van de mis.
Het is een toevallige maar gelukkige omstandigheid dat Haarlem,
als orgel- en improvisatiestad, nu kan beschikken over juist déze
twee instrumenttypes, en zo in de gelegenheid is haar
improvisatietraditie te verbreden en verdiepen.
Het Amsterdamse Paleis voor Volksvlijt
Het Cavaillé-Collorgel in de Philharmonie is niet voor deze zaal
gebouwd, en heeft ook nooit in een kathedraal gestaan. Niet dat
dat bij de bouw van het orgel uitmaakte: de beroemde Franse
orgelbouwer hanteerde een vast stramien voor al zijn orgels, of ze
nu bedoeld waren voor een grote kerk, een kleine salon of een
huiskamer. Alleen het aantal registers en de intonatie werden aan
de ruimte aangepast.
De eerste standplaats van het instrument was Amsterdam. In 1864
opende wethouder, dokter en weldoener Samuel Sarphati het Paleis
voor Volksvlijt, om een periode van economische en morele neergang
om te buigen tot een tijdperk van “volksgeluk, ontwikkeling en
vooruitgang, zegen en voorspoed voor geheel het Vaderland”. Het
indrukwekkende complex was gebouwd naar voorbeeld van Crystal
Palace in Londen, en stond aan het Frederiksplein, op de plek waar
nu De Nederlandsche Bank staat.
Al in 1874 werden er plannen gemaakt om het gebouw op te sieren
met een groot concertorgel. Nederlandse bouwers als Adema en de
Duitse firma Strobel (deze had juist in de Bakenesserkerk in
Haarlem een orgel geplaatst) werden gepasseerd, en op voorspraak
van de Franse consul Charles-Marie Philbert kreeg de Franse
orgelbouwer Aristide Cavaillé-Coll de opdracht.
Omdat het instrument binnen 9 maanden speelklaar in de zaal moest
staan, was het onmogelijk een geheel nieuw orgel te maken.
Cavaillé-Coll had in zijn atelier een zogenaamd orgue de tribune
staan, een demonstratieorgel. Hij besloot dit orgel aan te passen
en naar het Paleis in Amsterdam te transporteren. Eind mei
arriveerde het in onderdelen per trein in Amsterdam, en op 23
augustus klonken de eerste tonen. De officiële ingebruikname was
op 26 oktober 1875. De eerste concerten, gegeven door Alexandre
Guilmant, werden zeer enthousiast ontvangen. Het orgel werd
aanvankelijk intensief gebruikt, en op 23 maart 1876 werd er, door
de speciaal voor het orgel opgerichte “Vereeniging tot Bevordering
van de Orgelmuziek”, naar Frans voorbeeld een Nationaal
Orgelconcours georganiseerd. Naast het uitvoeren van Bachs
Preludium en Fuga in a-moll (BWV 543) werd van de deelnemers een
improvisatie verlangd. In 1879 werd Jean-Baptiste de Pauw benoemd
tot Paleisorganist, en in de jaren die volgden musiceerden
beroemde Parijse organisten als Widor (1886), Vierne (1895) en
Saint-Saëns (1897) in het Paleis.
Verplaatsing naar Haarlem
Het tij keerde echter al snel, en in de eerste decennia van de
twintigste eeuw raakte het orgel in onbruik. De oorzaak
daarvan was dat, vanaf de voltooiing van het Concertgebouw in
1888, van lieverlee het hoofdstedelijke muziekleven zich naar
deze concertzaal verplaatste. In 1890, na de verwoestende
brand in de Stadsschouwburg, werd het Paleis vooral voor
theatervoorstellingen gebruikt, en speelde muziek vrijwel geen
rol meer. In 1895 werd het Paleisorkest, en daarmee de functie
van Paleisorganist, opgeheven en was het vonnis voor het orgel
geveld. In 1915 werd het te koop gezet en werden de eerste
plannen gemaakt om het orgel te verplaatsen naar de
Gemeentelijke Concertzaal in Haarlem.
Deze zaal was in 1873 gebouwd voor feesten en
sportevenementen. Voor de komst van het orgel werd een podium
aangelegd, en werd de zaal geschikt gemaakt voor
muziekuitvoeringen. In oktober 1924 werd het instrument aldaar
in gebruik genomen. Het is overigens net op tijd uit het
Amsterdamse Paleis weggehaald: vijf jaar later zou dit gebouw
tot op de grond afbranden. |
 |
Restauraties
De verplaatsing en de opbouw in de nieuwe zaal in Haarlem hadden
het orgel niet ongeschonden gelaten. De al genoemde Nederlandse
orgelbouwer Adema had voorgesteld het orgel van, in die tijd
gebruikelijke, pneumatische kegelladen te voorzien. Cavaillé-Coll
–hij was in 1899 overleden– had dit systeem altijd nadrukkelijk
verworpen. Adema meende echter dat dit Duitse systeem de
bruikbaarheid van het orgel zou vergroten. Door deze ingreep zijn
originele onderdelen als windladen, speel- en registermechaniek,
alsmede de originele speeltafel verdwenen. Het resultaat werd niet
onverdeeld gunstig ontvangen, maar niet eens vanwege het orgel.
Vooral de zaal vond men in akoestisch opzicht ongeschikt voor dit
instrument.
In 1939 werd een volgend dieptepunt bereikt, toen de aanleg van
het instrument deels werd geëlektrificeerd. De aanleiding hiervoor
–de onbetrouwbaarheid van de pneumatische kegelladen– werd met
deze restauratie bepaald niet weggenomen. Toch veranderde men niet
van inzicht: in 1961 (nota bene het jaar van de restauratie van
het Müllerorgel in de Bavokerk door de Deense firma Marcussen!)
werd door orgelbouwer Vermeulen uit Weert ook de rest van de
tractuur geëlektrificeerd. Verder werd de speeltafel nogmaals
vervangen en werden enkele registers naar de smaak van destijds
gewijzigd en toegevoegd. De restauratie was niet succesvol: het
orgel raakte in de decennia die volgden vrijwel onbespeelbaar.
Uit de as herrezen
In 1980 ontstonden de eerste plannen voor het in de originele
staat terugbrengen van het orgel. Pas in 2003 werd de opdracht aan
Flentrop Orgelbouw BV verleend. De bij de verschillende
‘restauraties’ verdwenen windladen konden in diverse orgel in
Nederland worden teruggevonden. De andere onderdelen, inclusief de
speeltafel, werden stijlgetrouw gereconstrueerd.
Bij de laatste restauratie is goed gekeken naar vergelijkbare
orgels van Cavaillé-Coll. Zo zijn reizen ondernomen naar de
instrumenten in de Franse steden Lisieux, Lyon en Caen en het
Britse Warrington. Toch is het Haarlemse orgel voor de bouwtijd
uniek te noemen. Het beschikt over maar liefst twee zwelkasten, en
het Positif is bóven het Récit geplaatst. Opvallend is ook de
specifieke dispositie van deze klavieren. De labiaalregisters van
Positif en Récit zijn, afwijkend van de standaard
Cavaillé-Coll-dispostie, omgewisseld.
Behalve een aantal technische problemen met de klimaatbeheersing
in de zaal (waardoor bijvoorbeeld de zwelkasten niet kierloos
sluiten en mechanieken soms krakende geluiden produceren), is het
instrument momenteel weer in prima conditie. Op 6 februari 2006
werd het feestelijk in gebruik genomen. In 2008 zal het instrument
ook weer klinken tijdens een concours, maar, anders dan 132 jaar
eerder in het Amsterdamse Paleis, zal er nu uitsluitend op worden
geďmproviseerd. Zo krijgt het instrument weer de functie waarvoor
dit orgeltype in eerste plaats bedoeld is: het improviserend
creëren van nieuwe muziek.
Peter Ouwerkerk
|
|