| Voor veel
muziekliefhebbers geldt Nederland als een orgelparadijs; er is geen
land ter wereld dat zo’n schat aan historische orgels herbergt. In elke
stad of dorp kan men wel één of meerdere kostbare exemplaren
vinden. Van al deze instrumenten is het orgel van de Haarlemse St. Bavo
wel het meest beroemde. De Bouw
Op 14 maart
1735 besloot de Haarlemse vroedschap een nieuw orgel in de Grote Kerk
te laten bouwen “het geen enigsints soude mogen responderen aan de grootte
en schoonheyt van deselve kerk”.
Het
oude hoofdorgel van deze grote kathedraal, dat al bijna 300 jaar aan
de noordelijke koorwand hing, was onbruikbaar geworden. Als plaats voor
het nieuwe orgel koos men de westmuur, waardoor het grote gebrandschilderde
raam dat deze muur sierde, moest verdwijnen. Aan de uitvoering van dit
besluit werd terstond begonnen, dezelfde dag werd er onderhandeld met
de orgelbouwer Christian Müller en de beeldhouwer Jan van Logteren,
beiden te Amsterdam. Op 30 april gaven burgemeesters hun fiat aan de
door Müller en Van Logteren voorgestelde contracten. In september 1738
werd het orgel goedgekeurd door de organisten Havingha (van de Grote
Kerk te Alkmaar) en Henricus Radeker, stadsorganist, die het orgel officieel
inspeelde tijdens een plechtige kerkdienst op 14 september 1738. De
reputatie van het orgel verbreidde zich snel; het werd een grote bezienswaardigheid
en de bespelingen ervan waren een attractie. Buitenlandse reizigers
bezochten Haarlem om het te leren kennen. Tot hen behoorden ook Händel
en Mozart.
Restauraties
Het orgel bleef gedurende meer dan 125 jaar nagenoeg ongewijzigd tot
het jaar 1866. De muzikale smaak was toen inmiddels veranderd; verschillende
soorten van muziekinstrumenten waren uit de mode geraakt, er waren nieuwe
voor in de plaats gekomen en andere instrumenten, waaronder ook de orgels,
werden zo mogelijk gewijzigd.
Het Bavo-orgel
was aan een grondige revisie toe. De balgen en windladen waren lek geraakt,
het mechaniek was op vele plaatsen uitgesleten en vele pijpen waren
beschadigd. Dit maakte het mogelijk om het instrument niet alleen in
technisch en mechanisch opzicht te herstellen maar ook om het tegelijkertijd
in muzikaal opzicht aan te passen aan de eisen van die tijd. Vooral
de toenmalige voorliefde voor krachtige bassen, milde boventonen en
een stabiele klank speelden daarbij een grote rol.
De orgelmaker
C.F.G. Witte uit Utrecht omschreef de klank van het orgel aldus: “De
intonatie van de labiaalpijpen (het gebruikelijke type orgelpijp dat
U in het front ziet) is in het algemeen zwak te noemen, vooral de basoctaven.
Daarentegen is de intonatie van de tongwerken (een geheel ander type
orgelpijp dat d.m.v. een metalentong
tot klinken wordt gebracht) sterk en scherp, zodat de eerste door de
laatste worden overschaduwd. Verder spreekt het pedaal te zwak aan”.
De beoogde klankverbeteringen werden verkregen door o.a. de windvoorziening
te wijzigen, de winddruk te verhogen en de intonatie van de labialen
en de tongwerken daarbij aan te passen. Bovendien werden door Witte
enkele wijzigingen in de dispositie aangebracht. In 1904 vond opnieuw
een restauratie plaats nu door de fa. Maarschalkerweerd uit Utrecht.
Weer werd in de eerste plaats de windvoorziening gewijzigd: de 12 nog
aanwezige originele schepbalgen van Müller werden vervangen door 3 grote
magazijnbalgen met voetpompbediening.Tenslotte volgde de restauratie van
1959-1961, door de fa. Marcussen & Son uit Denemarken. Deze was vooral
noodzakelijk omdat de lekke windladen in aanzienlijke mate windverlies
en drukverlaging veroorzaakten waardoor de klank flauw werd en de toon
van het pedaal bij vol spel zelfs wegviel.
Belangrijke
veranderingen door Marcussen:
- het originele klankbeeld en de dispositie van Müller werden
hersteld, met toevoeging van twee nieuwe mixturen
- de windladen werden grondig gereviseerd en de windvoorziening werd
nieuw gemaakt, met een lagere winddruk dan voorheen
- het regeerwerk werd nieuw vervaardigd, voorzien van nieuwe
balansklavieren
- de klaviatuur werd gereconstrueerd
- de orgelkas werd opnieuw geschilderd en verguld.
Op 3 juli
1961 werd het orgel feestelijk in gebruik genomen in een concert dat
door de twee stadsorganisten Albert de Klerk en Piet Kee werd gegeven.
|