International Summer Academy for Organists 19 - 31 July 2010

Programme notes Symposium Lunch recital

The carillon of St Bavo's is heard frequently during the festival. In Holland, organists often hold positions as carillonneur as well, like today's recitalist: it is a combination that goes back centuries. When the new Genevan psalm tunes were introduced in the late sixteenth and seventeenth centuries, use of the organ for accompaniment during Protestant ('reformed') services was forbidden. Some places may have turned a blind eye to it, but it was not until the mid-seventeenth century that congregational accompaniment on the organ was officially tolerated. Immediately after the Alteration in the second half of the sixteenth century, many reformed church councils viewed the instrument as a Papal relic and would have preferred to have it removed. But civic authorities managed to avoid this, taking over supervision of both organs and organ playing, and employing the organists themselves.
Constantijn Huijgens reported in 1641 that unaccompanied psalm singing during the service often got quite out of hand: it sounded more like "crying or screaming than human singing". It hardly helped that different metrical translations were sometimes sung at the same time, one louder than the other, and it was clear that a way had to be found to teach the tunes to the churchgoers without infringing the ban on organ accompaniment.
The organs were played during weekday recitals. The church was a popular meetingplace, and rather than being listened to in silence, organ playing formed the backdrop to socialising and trading negotiations. Instructions for organists were similar to those for the local carillonneur: play the new psalm tunes and 'break' them, i.e. improvise variations. Repetition, it was hoped, would help the public to learn the tunes and sing them better on Sundays. In addition to an organist, many civic authorities employed a carillonneur for this purpose, and this was often the same person, a tradition that has continued to the present day.

Tijdens dit Festival is het carillon van de Bavokerk vaak te horen. In Nederland is de functie van organist en beiaardier vaak gecombineerd in één persoon, zoals bij de organist van dit concert. Deze combinatie van functies heeft oude papieren.
Toen aan het eind van de zestiende en in de loop van de zeventiende eeuw de nieuwe Geneefse psalmmelodieën werden geïntroduceerd, was tijdens de gereformeerde kerkdiensten het orgel als begeleidingsinstrument verboden. Hoewel orgelbegeleiding hier en daar wellicht al eerder oogluikend werd toegestaan, duurde het tot halverwege de zeventiende eeuw voordat samenzangbegeleiding door het orgel officieel werd geoorloofd. Direct na de Reformatie (tweede helft 16e eeuw) zagen veel gereformeerde kerkbesturen het instrument als een paaps relict en wilden het het liefste uit de kerk verwijderen. De stadsbesturen wisten dat te voorkomen en zorgden voortaan voor de instrumenten en de bespelingen. De organisten werden in dienst van de overheid genomen.
Constantijn Huijgens noteerde in 1641 dat de onbegeleide psalmzang tijdens de kerkdiensten nogal eens uit de hand liep: het leek of er meer ‘gehuylt oft geschreewt dan menschelick ghesonghen werde’. Ongetwijfeld speelde hierbij een rol dat er nogal eens verschillende berijmingen om het luidst door elkaar heen werden gezongen, maar het was ook duidelijk dat men manieren moest zien te vinden om de melodieën bij de kerkgangers beter bekend te krijgen, uiteraard zonder het verbod op orgelbegeleiding te overtreden.
De orgels werden bespeeld tijdens doordeweekse orgelbespelingen. De kerk was een drukke ontmoetingsplaats, en deze concerten waren dan ook geen ‘luisterconcerten’ maar eerder muzikaal behang tijdens sociale ontmoetingen en besprekingen tussen handelaren en andere lieden van divers allooi. De instructies voor de organist kwamen overeen met die voor de stadsklokkenist: ze moesten vooral de nieuwe psalmmelodieën laten horen en ‘breecken’, dat wil zeggen: variëren. Door de herhaling leerde het publiek de melodieën kennen en op zondag beter zingen, zo hoopte men. Naast een organist hadden veel steden voor dit doel ook een stadsbeiaardier in dienst en vaak was dat dezelfde persoon. Het is daarom dat tot op de dag van vandaag heel wat organisten ook beiaardier zijn.
 

%s1 / %s2